arjanvd.nl

Een slechte dag voor een slechte dag

· sport wielrennen · 837 woorden

Ik heb het elk fietsweekend op een berg. De existentiële vraag: wat doe ik hier? Maar ik had het nog nooit op de eerste berg.

Passo delle Erbe in theorie

Drie dagen gingen we fietsen in de Italiaanse Dolomieten. Zoals wel vaker was ik verantwoordelijk voor de routes. Ik had ook enige voorkennis, dus dat was mij wel toevertrouwd. Vanzelfsprekend wilde ik ook bergen beklimmen die ik nog niet had beklommen, en die waren er nog voldoende.

Een veelgeprezen berg in het gebied is de Passo delle Erbe. Van meerdere kanten te doen, allemaal zwaar maar heel erg mooi. Vanuit het hotel lag de klim vanuit Piccolino voor de hand, omdat we anders nog langer door de vallei moesten fietsen. En daarvoor waren we niet naar de Dolomieten gekomen.

Eerlijk is eerlijk, ik heb vooraf meerdere keren naar het profiel gekeken en me afgevraagd of dit nu wel zo handig was. Maar: zelfkastijding met de belofte van verlossing op de top; achter een computerscherm heeft dat aantrekkelijke kenmerken.

Mijn medefietsers vroegen zich ook af waar ik nu mee bezig was. Ze kennen mijn vermogen tot afzien — en het hunne — maar vooral ook mijn klimsnelheid — en de hunne. Ze staan vaak op me te wachten.

Ze waren dus ook niet zo onder de indruk van mijn theorette dat door te beginnen met de zwaarste klim de rest alleen maar mee kan vallen. De moraal is de eerste klim dan weliswaar niet zo hoog, maar de rest van de dag en het weekend zou die alleen maar crescendo doen. Belangrijker nog: zij hadden geen betere ideeën, dus dit ging het worden.

Passo delle Erbe in de praktijk

Vanuit ons hotel vertrekken we in dalende lijn. Aan de rand van Piccolino trekken we onze jasjes uit. Een pittoresk kerkje staat hoog tegen de helling en de weg ernaartoe is niet lang. Dat wordt direct stevig klimmen.

Ik begin er vol goede moed aan. Op souplesse proberen te fietsen, hartslag niet te ver op laten lopen. Dat alles lukt de eerste kilometer. Maar het blijft steil en m’n hartslag stijgt naar 180+ en m’n versnellingen zijn op. Ik stop even om het kerkje van dichtbij te bekijken. Inderdaad fraai.

De anderen verdwijnen langzaam uit zicht. Ik stap weer op en het is nog steeds steil. Behoedzaam duw ik de pedalen rond om te voorkomen dat ik weer in het rood kom te rijden. Dat lukt nu beter. Ik haal zelfs twee wielrenners in.

De weg kronkelt het dorpje uit. De haarspeldbochten beginnen. Dat betekent niet dat het minder steil wordt. Al snel rijd ik weer in het rood. Dezelfde wielrenners die ik net voorbij reed, halen mij nu in. Met die zelfkastijding zit het wel goed. Ik stop maar weer even. De omgeving is inderdaad schitterend.

Nog een paar kilometer en dan is er een korte afdaling. In de knik staan de anderen te wachten. Ik eet wat, we maken slechte grappen en verwachten dat Heidi elk moment van de helling komt rennen. Dan beginnen we aan het laatste stuk naar de top.

Zelfhaat

Dat gaat verrassend goed. Ik begin te geloven dat ik er doorheen ben. Dat ik verbeter. Dat zou fijn zijn, want de dag duurt nog lang. Maar de berg denkt daar anders over.

Ik rijd langs een weide waar schapen grazen. Aan de linkerkant ontvouwt zich een panorama van grillige bergtoppen; het is bijna een cliché. Ik probeer te zien hoe steil het hier omhoog loopt, maar ik mis referentiepunten. Het moet wel steil zijn, want ik kom niet meer vooruit. Een mountainbiker haalt me in. Ik stop. Wat is er toch? Ik prop nog een gelletje naar binnen en stap weer op.

Er is een punt waarop zelfkastijding omslaat in zelfhaat. Ik had niet verwacht dat dat punt zou komen op een bergkam, in de stralende zon, terwijl drie schapen me wezenloos nastaren. Deze berg maakt gehakt van me.

Wat is hier zo mooi aan? Wat doe ik hier? Met dat veel te grote lichaam mezelf voorhouden dat ik kan klimmen? Ja, ik kom boven en daar is alles mee gezegd. Ik ben een prutser, een prutser die meer dan duizend kilometer in een busje heeft gezeten om hier de eerste de beste berg met z’n hol open op te rijden. En ik maak verdomme deze routes! Hoe ga ik ooit de dag doorkomen? En de volgende twee dagen? Ik ben een pannenkoek in een Rapha-outfit. Want ‘staat het goed, gaat het goed’. Behalve dan dat dat een keiharde leugen is. Dit heeft niets met wielrennen te maken.

Oh, daar is de top. Ze staan — weer — op me te wachten. Ik mompel iets over afzien terwijl ik uit de pedalen klik. Van verlossing is geen sprake; het liefst zou ik in de sappige groene weide gaan liggen. Maar ik vul mijn bidons bij en trek mijn jack aan voor de afdaling. Deze helletocht gaat waarschijnlijk nog lang duren.

Naschrift: het werd inderdaad een lange dag. En het werd bepaald niet beter.

Reactieformulier