arjanvd.nl

De Renner

· literatuur wielrennen · 398 woorden

In de afgelopen twintig jaar lees ik met enige regelmaat De Renner van Tim Krabbé. Het is het enige boek dat ik vaker lees, simpelweg omdat het alles heeft. Onlangs las ik het weer.

Meyreuis, Lozine, 26 juni 1977. Warm, bewolkt weer. Ik pak mijn spullen uit de auto en zet mijn fiets in elkaar. Vanaf terrasjes kijken toeristen en inwoners toe. Niet-wielrenners. De leegte van die levens schokt me.

Zo begint Tim Krabbé zijn De Renner — en wat voor een begin. Het citaat schiet vaak door mijn hoofd als mensen mij meewarig aankijken als ik op de racefiets weer eens een berg opkruip. Dat komt zeker niet voort uit een gevoel van superioriteit. Wielrennen bundelt alles wat het leven is in zich — de hoogste toppen en de diepste dalen. Daar kun je weemoedig naar kijken, zoals veel mensen naar hun leven kijken. Maar dan mis je heel veel.

Niets van weten

Opmerkelijk genoeg wil Krabbé er niets van weten dat hij dit gevoel op de ultieme manier in De Renner onder woorden heeft gebracht.

Het mooist wordt dat duidelijk in de onovertroffen aflevering van Benali Boekt over De Renner. Benali en Krabbé bespreken het boek, inclusief minder geslaagde concepten van de eerste alinea en ze gaan samen de Ronde van de Mont Aigoual fietsen. Aan het eind van de aflevering komt het thema aan de orde, nadat literatuurcriticus Elsbeth Etty De Renner qua opbouw en thematiek heeft vergeleken met James Joyce’ Ulysses. Maar Krabbé stelt (op 22:33 min): ‘Het succes van De Renner zit ‘m denk ik voor een heel groot deel in de volstrekte schaamteloosheid waarmee dat boek geen enkel excuus heeft voor zijn eigen onderwerp. Het gaat alleen maar over wielrennen, het doet geen enkele poging om iets interessants of wezenlijks over de conditie van de mens te zeggen, of over de ziel, of over wat of over het leven in het algemeen. En juist omdat het zo brutaalweg alleen maar over één ding gaat, zegt het misschien wel dingen over het leven. Maar dat … mag je in m’n pet gooien.’

Die aarzeling in de laatste zin vat alles. Het is alsof de oudere Krabbé zich realiseert welke deur hij heeft opengezet. Dat hij de voorganger dreigt te worden van het evangelie van de fiets en hij verlichting kan schenken, op én voorbij de fiets. Mensen deinzen voor minder terug.

Maar toch…

Reactieformulier