Credits: MGM

2001: A Space Odyssee

Ergens in 2004 kocht ik deze klassieker op DVD. Thuis gekomen besloot ik ‘m gelijk te gaan kijken. Na drie minuten zette ik ‘m weer uit, omdat ik toen alleen nog maar zwart beeld had gezien en — heel zachtjes — wat geluiden had gehoord. Er was vast iets mis.

Uiteindelijk bekeek ik de film twaalf jaar later wel. Wat een vervreemdende ervaring! Kubrick trekt alle registers open en doet ze vervolgens ook niet meer dicht. Wow.

2001: A Space Odyssey is nu vijftig jaar oud en ik heb gesmuld van artikelen in New Yorker magazine en Vanity Fair. Maar ik weet niet of ik ‘m snel weer ga kijken.

Hardlopers

Ik denk dat hardlopers de nieuwe wielrenners zijn. Drie dik over de dijk lopen, en als vanzelf verwachten dat ik wel opzij zal gaan. (Later zal waarschijnlijk blijken dat veel wielrenners zijn gaan hardlopen in het afgelopen jaar.)

Sniffer

Er zit een sniffer naast me in de metro. En ze kucht alsof er net een snoepje verkeerd is geschoten. Ik kan zonder dat soort geluiden.

Gelegenheidsvegetariër

ingezonden brief

Een ingezonden brief in nrc.next van vandaag begint met de fascinerende zin: ‘In principe ben ik een gelegenheidsvegetariër, toch vraag ik mij af waarom in de kookrubriek de dieren, in dit geval een kalf, over de tafel vliegen.

De auteur eet blijkbaar alleen geen vlees als er echt, maar dan ook echt geen vlees is.

Vuurwerk

Minister van Justitie en Veiligheid Grapperhaus (CDA) en staatssecretaris Van Veldhoven van Infrastructuur en Waterstaat (D66) willen een verbod op werpbaar knalvuurwerk. VVD-Kamerlid Ziengs is niet enthousiast en komt — naast dat het belangrijker is om illegaal vuurwerk aan te pakken — met een briljant argument: een verbod op rotjes is moeilijk te handhaven in de praktijk.

Weet je wat ook moeilijk te handhaven is in de praktijk? Fietsen door rood licht. Maar toch is dat ook verboden.

Ideetje

Korrels hagelslag die niet rond zijn, maar vierkant. Zodat ze niet alle kanten oprollen als ik de restanten van het ontbijt van m’n zoons opveeg. Ik zou zo’n pak hagelslag direct kopen.

Rocken met speelgoedinstrumenten

Ja, het staat er echt: rocken met speelgoedinstrumenten. En dan niet een beetje lafjes pingelen op een plastic gitaartje, nee, serieus headbangend 666 rocken. The Wackids doen het gewoon.

Levenslessen

Tim Minchin, Australische komiek/acteur/schrijver/muzikant/regisseur, ontvangt een eredoctoraat van de University of Western Australia, waar hij heeft gestudeerd. Misschien begin ik een ouwe lul te worden – de veertig nadert nu rap – maar dit zijn negen briljante adviezen over het leven.

Waarvan ik weet dat ik ze aan het eind van mijn studie slechts voor kennisgeving had aangenomen. Maar ook dat is het mooie van het leven.

Credits: Wikimedia

De Renner

In de afgelopen twintig jaar lees ik met enige regelmaat De Renner van Tim Krabbé. Het is het enige boek dat ik vaker lees, simpelweg omdat het alles heeft. Onlangs las ik het weer.

Meyreuis, Lozine, 26 juni 1977. Warm, bewolkt weer. Ik pak mijn spullen uit de auto en zet mijn fiets in elkaar. Vanaf terrasjes kijken toeristen en inwoners toe. Niet-wielrenners. De leegte van die levens schokt me.

Zo begint Tim Krabbé zijn De Renner — en wat voor een begin. Het citaat schiet vaak door mijn hoofd als mensen mij meewarig aankijken als ik op de racefiets weer eens een berg opkruip. Dat komt zeker niet voort uit een gevoel van superioriteit. Wielrennen bundelt alles wat het leven is in zich — de hoogste toppen en de diepste dalen. Daar kun je weemoedig naar kijken, zoals veel mensen naar hun leven kijken. Maar dan mis je heel veel.

Niets van weten

Opmerkelijk genoeg wil Krabbé er niets van weten dat hij dit gevoel op de ultieme manier in De Renner onder woorden heeft gebracht.

Het mooist wordt dat duidelijk in de onovertroffen aflevering van Benali Boekt over De Renner. Benali en Krabbé bespreken het boek, inclusief minder geslaagde concepten van de eerste alinea en ze gaan samen de Ronde van de Mont Aigoual fietsen. Aan het eind van de aflevering komt het thema aan de orde, nadat literatuurcriticus Elsbeth Etty De Renner qua opbouw en thematiek heeft vergeleken met James Joyce’ Ulysses.

Maar Krabbé stelt (op 22:33 min):

Het succes van De Renner zit ‘m denk ik voor een heel groot deel in de volstrekte schaamteloosheid waarmee dat boek geen enkel excuus heeft voor zijn eigen onderwerp. Het gaat alleen maar over wielrennen, het doet geen enkele poging om iets interessants of wezenlijks over de conditie van de mens te zeggen, of over de ziel, of over wat of over het leven in het algemeen. En juist omdat het zo brutaalweg alleen maar over één ding gaat, zegt het misschien wel dingen over het leven. Maar dat … mag je in m’n pet gooien.

Die aarzeling in de laatste zin vat alles. Het is alsof de oudere Krabbé zich realiseert welke deur hij heeft opengezet. Dat hij de voorganger dreigt te worden van het evangelie van de fiets en hij verlichting kan schenken, op én voorbij de fiets.

Helden deinzen voor minder terug.

Maar toch…

Credits: Unsplash

Kurt / Zeno

Ik zat op een bankje te wachten voor een overleg over de prijsvraag Who Cares. Drie doeken hingen bij het bankje. Normaal gesproken sla ik nooit zo’n acht op de kunst in het gebouw. Ik weet eigenlijk niet waarom. Te nietszeggend, te ingewikkeld. Zegt de man die zich alleen in kunst verdiept als hij in een museum rondloopt.

De doeken in het gebouw van het ministerie van Volksgzondheid, Welzijn en Sport

Deze drie doeken trokken wel direct m’n aandacht. Ik las het begeleidende bordje. Toen kwam het echt binnen. En hard ook.

In 2012 werd mij gevraagd een werk te maken over een kind dat tijdens de holocaust is vermoord. Kurt Ikenberg werd geboren in Westerbork en op drie jarige leeftijd in Auschwitz vermoord. Van Kurt bestaan geen afbeeldingen, niemand heeft herinneringen aan hem. Wel zijn er de brieven die zijn moeder via het Rode Kruis naar haar zus in Engeland stuurde en die verslag doen van het opgroeien van Kurt.

De serie collages (Kurt I, II, III) komt voort uit het streven Kurt opnieuw tevoorschijn te laten komen maar toont ook de onmogelijkheid daarvan omdat Kurt alles, zelfs zijn gezicht, is ontnomen. Onontkoombaar kwam ik uit bij een zelfportret met kind. Door Kurt met Zeno te verbinden heb ik geprobeerd de essentie van Kurt ’s leven terug te halen, van wie Kurt was: een kind geliefd door zijn moeder.

Marjolein Rothman

Praten over wonen en zorg wordt vervolgens een tamelijk onbetekenende bezigheid.

Credits: Dylan Buell/Getty Images

Knielen tijdens het Amerikaanse volkslied

Gregg Popovich, coach van NBA-ploeg San Antonio Spurs, reageert op de uitlatingen van president Trump, die vindt dat spelers niet zouden mogen knielen tijdens het volkslied. Popovich denkt daar heel anders over en brengt dat compact en consciëntieus onder woorden.

Vooral het volgende gaf me kippenvel — omdat het waar is én ongemakkelijk:

There has to be an uncomfortable element in the discourse for anything to change. (…) People have to be made to feel uncomfortable; especially white people. We still have no clue what being born white means. If you read some of the recent literature, there is no such thing as whiteness. But we made it up. Not my original thought, but it’s true. Because you were born white, you have advantages systemically, culturally, psychology there. (…) People want their status quo. People don’t want to give it up. Until it’s given up, it’s not going to be fixed.

Maar kijk vooral ook z’n hele betoog. Echt.

Credits: Unsplash

Een slechte dag voor een slechte dag

Ik heb het elk fietsweekend op een berg. De existentiële vraag: wat doe ik hier? Maar ik had het nog nooit op de eerste berg.

Passo delle Erbe in theorie

Drie dagen gingen we fietsen in de Italiaanse Dolomieten. Zoals wel vaker was ik verantwoordelijk voor de routes. Ik had ook enige voorkennis, dus dat was mij wel toevertrouwd. Vanzelfsprekend wilde ik ook bergen beklimmen die ik nog niet had beklommen, en die waren er nog voldoende.

Een veelgeprezen berg in het gebied is de Passo delle Erbe. Van meerdere kanten te doen, allemaal zwaar maar heel erg mooi. Vanuit het hotel lag de klim vanuit Piccolino voor de hand, omdat we anders nog langer door de vallei moesten fietsen. En daarvoor waren we niet naar de Dolomieten gekomen.

Eerlijk is eerlijk, ik heb vooraf meerdere keren naar het profiel gekeken en me afgevraagd of dit nu wel zo handig was. Maar: zelfkastijding met de belofte van verlossing op de top; achter een computerscherm heeft dat aantrekkelijke kenmerken.

Mijn medefietsers vroegen zich ook af waar ik nu mee bezig was. Ze kennen mijn vermogen tot afzien — en het hunne — maar vooral ook mijn klimsnelheid — en de hunne. Ze staan vaak op me te wachten.

Ze waren dus ook niet zo onder de indruk van mijn theorette dat door te beginnen met de zwaarste klim de rest alleen maar mee kan vallen. De moraal is de eerste klim dan weliswaar niet zo hoog, maar de rest van de dag en het weekend zou die alleen maar crescendo doen. Belangrijker nog: zij hadden geen betere ideeën, dus dit ging het worden.

Passo delle Erbe in de praktijk

Vanuit ons hotel vertrekken we in dalende lijn. Aan de rand van Piccolino trekken we onze jasjes uit. Een pittoresk kerkje staat hoog tegen de helling en de weg ernaartoe is niet lang. Dat wordt direct stevig klimmen.

Ik begin er vol goede moed aan. Op souplesse proberen te fietsen, hartslag niet te ver op laten lopen. Dat alles lukt de eerste kilometer. Maar het blijft steil en m’n hartslag stijgt naar 180+ en m’n versnellingen zijn op. Ik stop even om het kerkje van dichtbij te bekijken. Inderdaad fraai.

De anderen verdwijnen langzaam uit zicht. Ik stap weer op en het is nog steeds steil. Behoedzaam duw ik de pedalen rond om te voorkomen dat ik weer in het rood kom te rijden. Dat lukt nu beter. Ik haal zelfs twee wielrenners in.

De weg kronkelt het dorpje uit. De haarspeldbochten beginnen. Dat betekent niet dat het minder steil wordt. Al snel rijd ik weer in het rood. Dezelfde wielrenners die ik net voorbij reed, halen mij nu in. Met die zelfkastijding zit het wel goed. Ik stop maar weer even. De omgeving is inderdaad schitterend.

Nog een paar kilometer en dan is er een korte afdaling. In de knik staan de anderen te wachten. Ik eet wat, we maken slechte grappen en verwachten dat Heidi elk moment van de helling komt rennen. Dan beginnen we aan het laatste stuk naar de top.

Zelfhaat

Dat gaat verrassend goed. Ik begin te geloven dat ik er doorheen ben. Dat ik verbeter. Dat zou fijn zijn, want de dag duurt nog lang. Maar de berg denkt daar anders over.

Ik rijd langs een weide waar schapen grazen. Aan de linkerkant ontvouwt zich een panorama van grillige bergtoppen; het is bijna een cliché. Ik probeer te zien hoe steil het hier omhoog loopt, maar ik mis referentiepunten. Het moet wel steil zijn, want ik kom niet meer vooruit. Een mountainbiker haalt me in. Ik stop. Wat is er toch? Ik prop nog een gelletje naar binnen en stap weer op.

Er is een punt waarop zelfkastijding omslaat in zelfhaat. Ik had niet verwacht dat dat punt zou komen op een bergkam, in de stralende zon, terwijl drie schapen me wezenloos nastaren. Deze berg maakt gehakt van me.

Wat is hier zo mooi aan? Wat doe ik hier? Met dat veel te grote lichaam mezelf voorhouden dat ik kan klimmen? Ja, ik kom boven en daar is alles mee gezegd. Ik ben een prutser, een prutser die meer dan duizend kilometer in een busje heeft gezeten om hier de eerste de beste berg met z’n hol open op te rijden. En ik maak verdomme deze routes! Hoe ga ik ooit de dag doorkomen? En de volgende twee dagen? Ik ben een pannenkoek in een Rapha-outfit. Want ‘staat het goed, gaat het goed’. Behalve dan dat dat een keiharde leugen is. Dit heeft niets met wielrennen te maken.

Oh, daar is de top. Ze staan — weer — op me te wachten. Ik mompel iets over afzien terwijl ik uit de pedalen klik. Van verlossing is geen sprake. Het liefst zou ik in de sappige groene weide gaan liggen. Maar ik vul mijn bidons bij en trek mijn jack aan voor de afdaling. Deze helletocht gaat waarschijnlijk nog lang duren.

Naschrift: het werd inderdaad een lange dag. En het werd bepaald niet beter.